De Petruskerk

De Petruskerk is de kerk van de Protestantse Gemeente Zuidbroek. De kerk werd in 1270 gebouwd, oorspronkelijk als Roomse kerk, en was gewijd aan de apostel Petrus. Uit oude documenten blijkt dat de parochie als onderdeel van de Proosdij Farmsum al in 1280 bestond. Vroeger stond de kerk meer naar het oosten. Waarschijnlijk dichtbij het oostelijke eind van de Heiligelaan. Zij is verplaatst vanwege het hoge water. Men zocht een zandhoogte waar het water niet komen kon. Men vond die plaats op dezelfde heerd, die blijkbaar eigendom van de kerk was, verder naar het westen. De stenen voor de bouw werden gebakken van de klei die de zee (Dollard) aangevoerd had. 
Uit die tijd stammen ook enkele legenden. Een legende verhaalt dat er kloosterbroeders gingen staan van steenbakkerij tot bouwplaats en dat zij elkaar de stenen één voor één doorgaven. Vandaar de naam Heiligelaan. Een andere legende gaat over een onderaardse gang die vroeger van de kerk naar het zogenaamde Galgenbosje liep, waar misdadigers gegeseld en opgehangen werden. De geestelijken die aan de veroordeelden bijstand moesten verlenen in hun laatste uur, begaven zich door deze gang naar het Galgenbosje. De legende wordt nog in ere gehouden door de naam Galgenweg. 
De bouwstijl van de Petruskerk wordt getypeerd als romanogotisch van het Groninger type. Qua stijl vergelijkbaar zijn de aangrenzende kerken van Noordbroek (1325) en Zeerijp (1350). In deze korte periode neemt het gotische element snel toe, wat te zien is aan de verhoogde schipwanden en vensters. Zuidbroek werd als eerste van de drie gebouwd en is het meest romaans. Alle drie de kerken hebben een lage, losstaande klokkentoren. 



Exterieur 

In de Petruskerk ligt de nadruk op het verticale aspect. De kerk is hoog en de muren zijn verdeeld in twee zones. De bovenzone bestaat per travee uit twee lange smalle spitsboogramen, die veel licht geven. Deze ramen worden over het algemeen aan beide zijden geflankeerd door een nis met metselwerk. De ramen en nissen worden geaccentueerd door kraalprofielen. De lagere onderzone bestaat uit spitsboognissen met hier en daar een ingang. In de onderzone van het koor en aangrenzende kant van dwarsschip zijn omkraalde rozetvensters te vinden. De topgevel van het koor is niet rond, maar zoals vaak bij de rijpe romanogotiek rechtgesloten. Net als de drie andere topgevels is zij rijk versierd in een drietal variaties met veel siermetselwerk. De noordelijke muur is vrijwel gelijk aan de zuidelijke. De topgevel van de noordelijke dwarsarm is wat anders versierd.

Wenteltrap

In de aansluiting van de dwarsarm en het schip zitten twee kleine ruitjes. Die dienen voor verlichting van de wenteltrap. Dit is een in de 1,30 meter dikke muur ingemetselde stenen trap. De trap draait als een spiraal naar boven naar de gewelven of onderweg naar een wellicht vroeger bestaand hebbende galerij. Een meesterstuk van middeleeuwse makelij! Het beklimmen van de wenteltrap gaat gepaard met een vreemde spanning. De treden zijn aan een kant altijd te smal. Je wijkt naar de andere kant, maar daar is de muur, altijd de muur. Je tracht de muur te ontwijken door te draaien, maar de muur draait steeds mee. Steeds rechts de muur die dringt naar links en links de spil die dringt naar rechts. Uiteindelijk wordt het lichter. Men betreedt de bovenzijde van de muur. Nu kunnen de gewelven worden aanschouwd en kan men genieten van de immense stilte. 


Restauraties 

Ongeveer in het midden van het schip is een deur dichtgemetseld. Net als de deur in de zuidelijke muur. Vroeger diende de noordmuur tot ingang voor de vrouwen. De mannen kwamen door de zuiddeur. De ingangen zijn in spitsboognissen gevat. 
In 1770 werden de topgevels vernieuwd en werd de noordingang dichtgemaakt. Restauraties van de kerk in de 18e eeuw zijn zorgvuldig gebeurd. Bij de restauratie in 1915 zijn in de loop der jaren aangebrachte veranderingen en toevoegingen aan het exterieur ongedaan gemaakt. De nieuwe muurgedeelten zijn overal weggebroken en kleine stenen vervangen door moppen van 10 à 12 pond zwaar, voor dit doel speciaal in de Betuwe vervaardigd. De dichtgestopte boognisjes onder de koorramen zijn heropend, de schoorsteennis is verwijderd, de kachel met verroeste pijpen eveneens. 
Het gehele kerkgebouw werd voorzien van centrale verwarming en elektrisch licht. De vensters, die tot 1850 geschilderde witte glazen bezaten, zijn van glas (gele kleur) en lood voorzien waardoor in het kerkgebouw een zacht getemperd licht valt. De 18e-eeuwse voorportalen, die het kerkgebouw ontsierden, werden afgebroken, de gewelfsschilderingen ten dele blootgelegd en bijgewerkt. De dubbele bank met opzetstuk werd ter zijde geschoven. De toegang tot de trap werd blootgelegd, waardoor de bij de eerste restauratie gemaakte fout, toen men de trap een uitgang naar buiten gaf, ongedaan is gemaakt. Boven de grote deur is een klein deurtje aangebracht. Bij de restauratie is hier een opening gevonden, wat het vermoeden rechtvaardigt dat er vroeger een galerij is geweest. 
In 1937 en enkele jaren daarna werden in het kader van een werkelozenproject de vergane pleister- en witsellagen van de muren verwijderd. Het pleister- en schilderwerk van de gewelven werd bijgewerkt. Ook de toren werd ontpleisterd. Eind jaren veertig werden op verzoek van de kerkvoogden de dakpannen met cement vastgezet, omdat de wind te veel vat op de dakpannen kreeg. In 1967 werd het dak vernieuwd. In 1988 zijn er goten aangebracht.

Interieur

De muren van de kerk zijn zo’n 1,30 meter dik. Het interieur wordt overdekt door meloenvormige koepelgewelven met acht - en in de ondiepe dwarsarmen vier ronde ribben in het schip, samenkomend in stervormige ringen, met uitzondering van het koor waar een rozet gevormd wordt. De koepelgewelven zijn gepleisterd, behalve in het koor, waar het fraaie metselwerk en de uitgewerkte gewelfschotel opvallen. De beschildering van de gewelven met ranken, de vechtende dieren op de oostwand en de engel op de noordelijke muur van het koor stammen vermoedelijk uit de 15e eeuw. Verder zijn het bijna uitsluitend decoratieve bloemenversieringen, zogenaamde fresco’s. De tekst op het westelijke gewelf is waarschijnlijk een eeuw later ontstaan. 
Van 1730 tot 1830 is het interieur van de kerk ingrijpend verbouwd. Uit die tijd stamt het vele houtsnijwerk. Het meubilair en het orgel vormen een strakke eenheid. Het houtwerk, al dan niet gesneden, dat de liturgische ruimte omgeeft, geeft het interieur een besloten en geheel eigen karakter. Aan de ene kant het fraaie orgel en aan de andere kant een sierlijke en rijke koorafscheiding. Tussen orgel en koorafscheiding bevinden zich, omhuld door een sobere lambrisering, de strakke en eenvoudige kerkbanken. 


Preekstoel (kansel)
De rijk gesneden preekstoel, in Lodewijk XIV-vormen, is van Casper Struiwig uit 1736. Op de kuip zijn allegorische vrouwenfiguren weergegeven die Geloof, Hoop en Liefde verbeelden. Nog een ander kuippaneel toont een engel die een boek, het Nieuwe Testament, vasthoudt. Op het deurtje is Mozes afgebeeld met de tien geboden. 
Doophek 
Van Struiwigs hand is ook het doophek met siervazen (ca 1730). 


Lessenaar 

De lessenaar in rococostijl dateert uit 1770. 
Koorafsluiting 
De van een gesneden bekroning voorziene koorafsluiting met middenopzetstuk, drostenbank en kerkvoogdenbank werd in 1709 ontworpen door Groninger stadsbouwmeester Allert Meijer en gesneden door Jan de Rijk en Mencke Mollaan.

Herenbanken
Fraai zijn de twee herenbanken die met de rug naar het koor staan. De overhuifde bank aan de noordzijde werd in 1671 ontworpen door Allert Meijer, het weelderige snijwerk is van Jan de Rijk. Deze bank was bestemd voor de drost die op de nabij gelegen Drostenheerd woonde. De bank aan de zuidzijde diende als bank voor de kerkvoogden en is eveneens door Allert Meijer ontworpen, maar door zijn meesterkrecht Mencke Mollaan uitgevoerd. Het deurportaal met opzetstuk en boog tussen de twee banken stamt uit 1843. De doorgang tussen de beide banken heeft een bovenstuk en dateert uit 1843. Het opzetstuk toont onder andere een slang die zich in de staart bijt, het symbool van de eeuwigheid. 


Kerkvloer

De kerkvloer bevat diverse zerken, waarvan die voor Nanno Amsingh (overleden in 1690) en de zerken met wapens voor Jan Arents (overleden in 1697) en zijn weduwe Eppien Amsing (overleden in 1726) tot de oudste behoren.

Orgel
Het huidige orgel van de Petruskerk te Zuidbroek is niet het eerste orgel in deze kerk. De kerk van Zuidbroek heeft al sinds eeuwen een orgel in bezit. Vast staat dat Andreas deMare in 1578 een orgel aan de kerk van Zuidbroek leverde. Dit instrument werd in 1624 gerepareerd door Edo Evers en werd in de eerste helft van de 18e eeuw onderhouden door Matthias Amoor. Het lijkt erop dat het onderhoud van dit oude instrument na de dood van Amoor niet is voortgezet. In de tweede helft van de 18e eeuw raakte het echter zodanig in verval, dat gebruik, ondanks eerdere tussentijdse reparaties, niet meer mogelijk bleek. 
Had de orgelbouw in de 17e eeuw in de provincie al een hoog niveau, in de 18e eeuw breekt een ongekende bloeiperiode aan die een aantal monumentale orgels met manuaal, rugpositief en vrij pedaal deed ontstaan, merendeels het werk van A.A. Hinsz. Plannen voor een nieuw groot orgel ontstaan rond 1780. Het lag in de bedoeling het door orgelmaker Hinsz te laten maken. Vóór 1785 moet de bouw van een nieuw orgel in de kerk van Zuidbroek aan de orde zijn gesteld. Hinsz heeft hiervoor een bestek gemaakt, dat niet gedateerd is. Het door hem ontworpen orgel zou een groot orgel met hoofdwerk, rugwerk en vrij pedaal zijn, geheel in de traditie van de nog bestaande grote tweeklaviers orgels van deze orgelmaker. De dood van Hinsz in 1785 moet de plannen voor de bouw van dit orgel doorkruist hebben en deed de voorbereidingen stagneren.
In 1792 wordt het idee voor een nieuw orgel weer leven ingeblazen. Na een bezoek aan de organist J.H.Tammen wendt men zich tot Heinrich Hermann Freytag (1759-1811) die samenwerkt met Frans Caspar Schnitger jr. (1724-1799), ‘orgelmakers in comp.’ te Groningen. Zij zijn het die in de jaren 1793-1795 het huidige monumentale orgel gebouwd hebben. Eind januari 1795 is het werk door Tammen gekeurd. De orgelmakers ontvingen voor de bouw van het orgel 7000 gulden. De kerk in Zuidbroek kreeg hierdoor het laatste grote dorpsorgel van de 18e eeuw dat in Groningen tot stand kwam.

Pastorie 

Op de hoek van de Heiligelaan en de Kerkstraat ligt de voormalige pastorie van de Petruskerk. De pastorie is van 1741. Interessant zijn het paarse glas dat in de vensters is geplaatst, de deurpartij, de bovenlichten en het authentieke dak. Helaas is van de viskenij (Groningse benaming voor een visvijver, een bewaarplaats voor verse vis) achter de pastorie niets overgebleven.

Fransche school - Kerkhörn

Naast de Petruskerk en tegenover de vroegere pastorie bevindt zich Kerkhörn. Het is een opvallend gebouw, in de lengte op de weg gebouwd. Kerkhörn is in de 19e eeuw een school geweest. Het had die functie tot 1866. Daarna heeft er een tijd lang een aantal gezinnen gewoond. Vervolgens werd het vergaderlokaal van de toenmalige Nederlands Hervormde Kerk. De naam Kerkhörn betekent de hoek bij de kerk. Zo heette de straat hier tot de gemeenteraad in 1935 besloot de straat naar het noorden Torenstraat te noemen. Het gebouw zelf doet denken aan een eenvoudig dwarshuis, puur functioneel en verrijkt of verbeterd door eenvoudig stucwerk. Het dateert vermoedelijk van rond 1800. 


Toren

De 20 meter hoge toren van de Petruskerk is een los(vrij)staande klokketoren, ten oosten van de kerk geplaatst, evenals de kruiskerk stammende uit de 13e eeuw. Tijdens een restauratie van de zadeldaktoren in 1962 bleek de fundering puin van profielstenen te bevatten. Deze stenen zijn ook in de kerk verwerkt. Waarschijnlijk is de toren dan ook voor 1270 gereed gekomen. De toren is fors en ongeleed en heeft een zadeldak tussen tuitgevels. De toren is lager dan de kerk en heeft twee aardige topgevels. 
De galmgaten van de toren hebben ronde bogen: vier aan elke kant. In de zuidmuur zitten bovendien nog tweemaal twee getraliede vensters. Het onderste deel van de toren is als cachot in gebruik geweest. In 1713 werden vier cellen afgetimmerd. Tot het eind van de 19e eeuw diende de toren als gevangenis. Gevangenen hebben op de binnendeur teksten, initialen en andere data gekrast. In 1947 is in de toren voor het laatst een bezoeker van de Muntendammer kermis gevangengezet. In de zuidmuur is linksboven een zonnewijzer aangebracht. Het jaartal 1709 dat met ankers op de muur is aangebracht, heeft betrekking op een restauratie in dat jaar. De wijzerplaat van de klok zit aan de oostkant. De zware toegangsdeur zit aan de noordkant. Sinds 1628 staat er een windvaan (haan) op de toren voor het wijzen van de windrichting. De haan geeft ook aan dat er een nieuwe dag aanbreekt en dat het tijd is om op te staan.

Klokken

In de toren van Zuidbroek hangen twee klokken ten behoeve van de eredienst en de openbare tijdsaankondiging. Beide waren vervaardigd door H. Kelderman. 
Een fragment uit de randschrift van de kleinste (124 cm): ‘Samuel Neyts Pastor Antwerp Aeilko Tjadens Wibbo Fockens Kerckvoegeden in Suebroke-Anno 1610 Harmen Kellerman me fecit meten jacops’. 
Een fragment uit de randschrift van de grootste (130 cm): ‘Harmanus Borgel Pastor Aeilko Tjadns Wibbo Fockens Kerckfogden Harman-Kelderman heft mi gegoten in de namen der hillige drievuldigheid 1603’. Deze klok is in 1943 door de Duitse bezetter gevorderd en is op weg geweest naar de Duitse smeltovens, maar is onderweg blijven steken. Toen hij terugkwam, was hij gescheurd. Maar hij is gelast en hangt er weer.

Kerkhof

Aan de noord-, zuid- en westzijde van de Petruskerk bevindt zich het kerkhof. Langs het pad over het kerkhof staan monumentale bruine beuken. Deze beuken zijn zo’n 100 jaar oud en bijna 25 meter hoog. Het zijn geënte bomen. De entplaatsen zijn duidelijk te zien: de bomen staan als het ware op een sokkel. Het kerkhof wordt aan de noord- en zuidzijde begrensd door hagen van Spaanse aak; aan de westzijde door prachtige glanslindes en indrukwekkende groene beuken. Aan de zuidzijde staat dicht op het kerkgebouw een opvallende es.

Lijkenhuisje

Op het kerkhof van de Petruskerk stond rond 1873 al een lijkenhuisje, conform de eisen uit de wet van 1869. Dit voorschrift was een gevolg van een andere kijk op hygiëne en gezondheidszorg. Lijkenhuisjes, soms ook dodenhuisjes genoemd, werden vaak gecombineerd met een opbaarruimte. In een lijkenhuisje werden de lijken gelegd van mensen die aan een besmettelijke ziekte waren overleden. Dit om de kans op besmetting te minimaliseren. 
Het lijkenhuisje bij de Petruskerk lijkt zo tussen 1920 en 1930 door het huidige gebouwtje te zijn vervangen. Daarover is echter zowel in de kerkelijke als in de gemeentelijke archieven tot dusverre nog niets gevonden. Ook bij dit gebouwtje zijn de invloeden van de Amsterdamse school waar te nemen. Het heeft in de oostgevel een horizontaal blok ramen. De westgevel is geheel gesloten. In de noordgevel zit een stel fraaie deuren. Het platte dak is van beton.

Lijkenhuisje

Op het kerkhof van de Petruskerk stond rond 1873 al een lijkenhuisje, conform de eisen uit de wet van 1869. Dit voorschrift was een gevolg van een andere kijk op hygiëne en gezondheidszorg. Lijkenhuisjes, soms ook dodenhuisjes genoemd, werden vaak gecombineerd met een opbaarruimte. In een lijkenhuisje werden de lijken gelegd van mensen die aan een besmettelijke ziekte waren overleden. Dit om de kans op besmetting te minimaliseren. 
Het lijkenhuisje bij de Petruskerk lijkt zo tussen 1920 en 1930 door het huidige gebouwtje te zijn vervangen. Daarover is echter zowel in de kerkelijke als in de gemeentelijke archieven tot dusverre nog niets gevonden. Ook bij dit gebouwtje zijn de invloeden van de Amsterdamse school waar te nemen. Het heeft in de oostgevel een horizontaal blok ramen. De westgevel is geheel gesloten. In de noordgevel zit een stel fraaie deuren. Het platte dak is van beton.

© 2011 MenterAroute | Realisatie Grafisch bedrijf de Bruin - Zuidbroek. m